Uitspraak
19 2125 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had een WIA-uitkering aangevraagd, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze toe te kennen omdat zij niet verzekerd was als werknemer. Dit volgde op eerdere besluiten waarin was vastgesteld dat het dienstverband bij een uitzendbureau gefingeerd was, waardoor zij geen recht had op WW- en ZW-uitkeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat de eerdere besluiten onherroepelijk zijn en dat appellante het bezwaar tegen die besluiten niet tijdig had aangevoerd. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel rechtsmiddelen had aangewend tegen die besluiten, maar dit werd niet onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet als werknemer in de zin van de Wet WIA verzekerd was, omdat de eerdere besluiten over het gefingeerde dienstverband rechtsgeldig zijn en niet zijn aangevochten. Daarom is de weigering van de WIA-uitkering terecht en wordt het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.