Appellant ontving bijstand vanaf april 2014. Na ontdekking van een hennepkwekerij in januari 2018 deed de Sociale Recherche onderzoek, waarbij ook Facebook en YouTube werden geraadpleegd. Het college trok de bijstand in vanaf april 2017 en over diverse eerdere maanden en vorderde € 26.616,41 terug wegens niet gemelde optredens als zanger, wat een schending van de inlichtingenverplichting zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij in september 2014 geen optredens had, slechts een Facebook-omslagfoto had gewijzigd. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende bewijs had geleverd voor optredens die maand, waardoor de intrekking en terugvordering niet deugdelijke grondslag hadden.
Voor mei 2017 stelde appellant geen optreden te hebben gehad, maar Facebook toonde een optreden in Stockholm. Verder voerde appellant aan dat optredens op een bruiloft en in de kerk niet gemeld hoefden te worden omdat ze niet betaald waren of niet op geld waardeerbaar waren. De Raad verwierp deze argumenten vanwege onvoldoende onderbouwing en de aard van de optredens.
De Raad verwierp ook het standpunt dat het college de bijstand schattenderwijs had kunnen vaststellen. De intrekking over september 2014 werd vernietigd, evenals de terugvordering die ondeelbaar is. Het college moet een nieuwe beslissing nemen over de terugvordering. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.