ECLI:NL:CRVB:2021:95
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling mate arbeidsongeschiktheid op 41,30% in WIA-procedure
Appellante was vrachtwagenchauffeur en meldde zich in 2007 ziek. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 2009, later gevolgd door een WGA-loonaanvullingsuitkering wegens verhoogde arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2017 stelde een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellante belastbaar is met beperkingen, resulterend in een arbeidsongeschiktheid van 41,30%.
Appellante voerde bezwaar aan tegen dit besluit, met name over het opleidingsniveau en de passendheid van een functie als tekenaar, constructeur (elektrisch). De rechtbank verwierp haar bezwaar grotendeels, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het UWV de functie passend mocht achten, mede omdat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij niet over het vereiste MBO-4 diploma elektrotechniek beschikte.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij haar stelling moest onderbouwen en dat de functieomschrijving onjuist was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat appellante zelf bij haar WIA-aanvraag had aangegeven over het diploma te beschikken en dat zij dit later onvoldoende had betwist met bewijsstukken.
De Raad bevestigde daarmee de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 41,30% en dat appellante niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 41,30% en wijst het hoger beroep van appellante af.