ECLI:NL:CRVB:2021:975
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige toetsing
Appellante was bedrijfsleider en viel uit wegens nek-, schouder- en bekkenklachten gerelateerd aan zwangerschap. Na diverse uitkeringen op grond van Ziektewet en WAZO vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij niet geschikt was voor haar laatst verrichte werk maar wel belastbaar met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis van geselecteerde functies berekende een arbeidsdeskundige dat appellante 71,92% van haar maatmaninkomen kon verdienen, wat resulteerde in een weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Na bezwaar en beroep werden aanvullende beperkingen aangenomen en een functie vervangen, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren meegenomen, waarbij ook psychische klachten zoals angststoornis en paniekstoornis waren betrokken. Nieuwe diagnoses na de peildatum werden niet relevant geacht. Appellante stelde in hoger beroep dat de functionele mogelijkheden onjuist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies haar belastbaarheid overschreden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere oordelen. Het medisch onderzoek was zorgvuldig, de beperkingen waren juist vastgesteld en gemotiveerd, en de geselecteerde functies waren medisch passend. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling of aan de geschiktheid van de functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.