ECLI:NL:CRVB:2021:978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing Wajong-uitkering wegens verblijf in het buitenland
Appellante ontving sinds 2011 een Wajong-uitkering. In 2017 werd de uitkering geschorst omdat het UWV vermoedde dat appellante niet langer in Nederland woonde. Appellante had aangegeven geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben en gaf een postadres door, maar meldde niet haar verblijf in Suriname.
Het UWV ontdekte via de Gemeentelijke Basisadministratie dat appellante in Suriname stond ingeschreven en schortte daarom de uitkering op. Appellante voerde aan dat zij slechts op vakantie was en dat het UWV al op de hoogte was van haar situatie, maar dit werd niet geaccepteerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het UWV terecht een gegrond vermoeden had dat het recht op uitkering was vervallen en dat het UWV moest beschikken over het juiste verblijfadres. De schorsing was daarom gerechtvaardigd.
De Raad wees ook het beroep op onbillijkheid van overwegende aard af, omdat de uitkering niet was beëindigd maar slechts geschorst en na terugkeer weer werd hervat. De proceskosten werden toegewezen aan appellante.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de schorsing van de Wajong-uitkering bevestigd.