Uitspraak
19.4888 WIA
16 oktober 2019, 19/1231 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig teamleider in een supermarkt, meldde zich in 2013 ziek met psychische klachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering van 100% arbeidsongeschiktheid, volgde een WGA-loonaanvullingsuitkering van 63,06%. Na herbeoordeling in 2018 stelde een verzekeringsarts een belastbaarheid vast met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV kende daarop een WGA-vervolguitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het UWV het besluit herzag en de mate van arbeidsongeschiktheid op 57,10% stelde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de medische rapporten consistent en juist waren en dat de geduide functies medisch geschikt waren ondanks signaleringen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is en niet in staat is om inkomen te verwerven, verwijzend naar psychische en fysieke klachten. De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat appellant geen nieuwe medische feiten aanvoerde die tot een ander oordeel leiden en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De toekenning van de WGA-vervolguitkering blijft daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de WGA-vervolguitkering op basis van 55-65% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.