ECLI:NL:CRVB:2021:99
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een bestuursrechtelijke zaak. Bij brief trok appellant het hoger beroep in omdat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had aangegeven het bestreden besluit niet te handhaven, waarmee het college volledig aan de bezwaren tegemoetkwam.
De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener van het beroepschrift worden veroordeeld in de proceskosten indien het beroep wordt ingetrokken vanwege tegemoetkoming.
Omdat appellant in bezwaar niet door een professionele rechtsbijstandsverlener was bijgestaan, zijn er geen kosten voor bezwaarvergoeding. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten voor beroep en hoger beroep, begroot op €1.068,- en €534,- respectievelijk. Het griffierecht kan appellant rechtstreeks bij het college verhalen.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter A.M. Overbeeke, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, op 19 januari 2021.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wordt veroordeeld tot betaling van €1.602,- aan proceskosten aan appellant.