ECLI:NL:CRVB:2022:100
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid voor andere functies
Appellante was huishoudelijk medewerker en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen met andere functies. Na een nieuwe ziekmelding en onderzoek verklaarde een verzekeringsarts haar geschikt voor andere functies en stelde het UWV opnieuw het recht op ziekengeld vast per 2 augustus 2018.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat er nieuwe medische feiten waren die haar ongeschiktheid zouden aantonen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het klachtenbeeld vrijwel ongewijzigd is en dat er geen relevante wijziging of nieuwe medische feiten zijn die het oordeel van arbeidsgeschiktheid onderbouwen.
De Raad benadrukt dat het recht op ziekengeld afhankelijk is van ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, maar na 52 weken wordt gekeken naar geschiktheid voor gangbare arbeid. Het medisch en arbeidskundig onderzoek van het UWV is zorgvuldig en juist. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.