ECLI:NL:CRVB:2022:1005

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
20/4411 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53a lid 6 PWArt. 54 lid 1 PWArt. 54 lid 4 PW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand na niet verschijnen op gesprek en niet overleggen bankafschriften

Appellant ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Weert. Het college startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Participatiewet. Appellant werd uitgenodigd voor een gesprek en verzocht bankafschriften te overleggen.

Op 27 juni 2019 werd de bijstand opgeschort omdat appellant zonder bericht van verhindering niet op het gesprek verscheen. Het college gaf appellant een tweede kans op 8 juli 2019 om alsnog te verschijnen en de gevraagde gegevens te overleggen. Appellant verscheen wederom niet en overhandigde de bankafschriften niet.

Het college trok daarop de bijstand met terugwerkende kracht in per 27 juni 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college bevoegd was het onderzoek te starten zonder voorafgaand vermoeden. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Appellant kon het niet verschijnen en het niet overleggen van gegevens niet aannemelijk maken.

De Raad overweegt dat de brief van 8 juli 2019 geen mededeling bevatte dat het onderzoek was afgerond, zodat de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor de vaststelling van het recht op bijstand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet is verschenen op het gesprek en de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd.

Uitspraak

20.4411 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 november 2020, 19/3259 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
T[appellant] te Weert (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)
Datum uitspraak: 12 april 2022
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: B. Beerens
Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J. Demas.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het college heeft bij besluit van 2 juli 2019 (opschortingsbesluit) de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet (PW) met ingang van 27 juni 2019 opgeschort. Appellant is die dag zonder bericht van verhindering niet op het gesprek verschenen waarvoor het college hem had uitgenodigd. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen door te verschijnen op een gesprek op 8 juli 2019 en de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften, mee te nemen. Tegen het opschortingsbesluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Dat staat daardoor in rechte vast.
2. Appellant is ook op 8 juli 2019 zonder bericht van verhindering niet verschenen. Bij besluit van 8 juli 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 oktober 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 27 juni 2019 ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het college op grond van artikel 53a, zesde lid, van de PW spontaan, zonder dat een voorafgaande een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden is vereist, gerechtigd is een onderzoek te starten naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader kon het college appellant uitnodigen voor een gesprek en hem vragen om bankafschriften over te leggen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het opschortingsbesluit, waarbij appellant was uitgenodigd te verschijnen op het gesprek op 8 juli 2019, tijdig aan appellant is uitgereikt en dat het appellant verweten kan worden dat hij dit besluit niet tijdig bij de PostNL-locatie heeft afgehaald. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege pijn in zijn voet niet in staat was de brief eerder op te halen, dan wel dat niemand anders dit in zijn plaats had kunnen doen.
4. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 3 weergegeven, waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar nog aan toe dat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij de door het college gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, omdat het onderzoek reeds was afgerond en deze gegevens dus om die reden niet meer van belang waren voor het vaststellen van het recht op bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet. De brief van 8 juli 2019, waarnaar appellant heeft verwezen, bevat geen mededeling dat het onderzoek is afgerond, maar vermeldt slechts dat in de periode van 12 juni 2019 tot 24 juni 2019 waarnemingen zijn verricht. Het college heeft bankschriften opgevraagd en appellant uitgenodigd voor een gesprek om inlichtingen te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie. Deze gegevens waren noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Niet in geschil is dat appellant niet is verschenen op het gesprek van 8 juli 2019 en dat hij de bankafschriften niet heeft overgelegd.
5. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B. Beerens (getekend) K.M.P. Jacobs