ECLI:NL:CRVB:2022:1019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens weigering medewerking huisbezoek
Appellant diende op 28 augustus 2018 een aanvraag om bijstand in en gaf als woonadres het adres van zijn broer op. De Regionale Dienst Werk en Inkomen voerde onderzoek uit, waarbij gesprekken werden gevoerd en een huisbezoek werd aangekondigd. Appellant weigerde echter mee te werken aan het huisbezoek.
Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar oordeelde dat appellant ten onrechte niet was gehoord en veroordeelde het dagelijks bestuur tot betaling van proceskosten.
In hoger beroep stelde het dagelijks bestuur dat de hoorplicht niet was geschonden omdat appellant niet binnen de termijn had gereageerd op de uitnodiging tot hoorzitting. De Raad oordeelde dat het afzien van horen gerechtvaardigd was. Verder was er een redelijke grond voor het huisbezoek, omdat twijfels bestonden over de woonsituatie van appellant die niet werden weggenomen door zijn verklaringen.
Appellant voerde aan dat hij een zwaarwegend belang had vanwege cognitieve beperkingen, maar dit werd niet onderbouwd. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en vernietigde alleen het deel van de uitspraak over de proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege het niet meewerken aan het huisbezoek terwijl een redelijke grond daarvoor bestond.