ECLI:NL:CRVB:2022:1032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering en terugvordering voorschot ziekengeld
Appellant, laatst werkzaam als asbestsaneerder, meldde zich ziek met linkerpolsklachten na een arbeidsongeval. Het UWV kende aanvankelijk een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 29 september 2018 omdat appellant geschikt werd geacht voor andere functies volgens de eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb).
Na een nieuwe ziekmelding in januari 2019 kende het UWV een voorschot ziekengeld toe, maar weigerde later de ZW-uitkering vanaf die datum toe te kennen en vorderde het voorschot terug. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, stellende dat er geen reden was om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant geschikt was voor ten minste één van de functies.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen op de datum in geding waren onderschat, onderbouwd met medische rapporten en operaties. De Raad volgde echter het oordeel van de rechtbank en verzekeringsarts dat de peesaandoening pas na de datum in geding was ontstaan en dat het UWV terecht het voorschot terugvorderde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewet-uitkering en terugvordering van voorschot ziekengeld worden bevestigd.