Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1033

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2022
Publicatiedatum
13 mei 2022
Zaaknummer
20/1788 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens niet tijdig melden wijziging woonsituatie

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet als alleenstaande. Na een onderzoek van de sociale recherche bleek dat zijn woning op last van de burgemeester was gesloten vanwege de aanwezigheid van verdovende middelen en munitie. Het college trok daarop de bijstand met ingang van 20 april 2018 in omdat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door niet tijdig de juiste afdeling van de gemeente te informeren over zijn gewijzigde woonsituatie.

Appellant had slechts zijn participatiecoach geïnformeerd over het feit dat hij uit zijn woning was gezet, maar dit was onvoldoende. De Raad benadrukte dat de melding aan de participatiecoach niet volstaat en dat de melding aan de juiste gemeentelijke afdeling vereist is. Bovendien moet niet alleen worden doorgegeven dat appellant niet meer op het oude adres verblijft, maar ook waar hij nu woont. Pas op 3 juli 2018 werd de adreswijziging correct gemeld.

De rechtbank had het beroep van appellant tegen de intrekking van de bijstand ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Het hoger beroep wordt verworpen en er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet tijdig en niet aan de juiste afdeling van de gemeente zijn wijziging in woon- en leefsituatie heeft gemeld.

Uitspraak

20.1788 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 maart 2020, 19/638 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 3 mei 2022
Zitting heeft: M. Hillen, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: B. Beerens
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. McKernan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.L.J.H. Stevenhaagen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 8 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant terecht met ingang van
20 april 2018 ingetrokken op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet tijdig te informeren over de wijziging in zijn woon- en leefsituatie. Als gevolg daarvan kon het college het recht op bijstand niet vaststellen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Appellant ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Uit onderzoek van de sociale recherche naar aanleiding van een signaal dat appellant mogelijk niet op zijn woonadres verblijft, is gebleken dat de woning van appellant op last van de burgemeester met ingang van 20 april 2018 voor de duur van drie maanden is gesloten, omdat in de woning verdovende middelen en (munitie voor) een vuurwapen waren aangetroffen.
3. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1059), is het de verantwoordelijkheid van appellant
– als bijstandsgerechtigde – om een wijziging in zijn woon- en leefsituatie tijdig op de juiste wijze en aan de juiste afdeling van de gemeente door te geven. Om die reden mocht appellant er niet van uitgaan, zoals hij heeft aangevoerd, dat de enkele melding aan zijn participatiecoach dat hij uit zijn woning is gezet voldoende zou zijn. Dat artikel 17, eerste lid, van de PW spreekt van ‘college’ en de participatiecoach werkzaam is voor de gemeente en dus voor het college, betekent – anders dan appellant voorstaat – niet dat appellant geen melding meer hoefde te doen bij de juiste afdeling van de gemeente. Bovendien houdt de inlichtingenverplichting niet alleen in dat appellant op juiste wijze en aan de juiste afdeling doorgeeft dat hij niet meer op het woonadres verblijft, maar ook dat appellant doorgeeft waar hij dan wél verblijft. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant eerst op 3 juli 2018 op de juiste wijze en bij de juiste afdeling een adreswijziging heeft doorgegeven.
4. Uit voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding bestaat.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B. Beerens (getekend) M. Hillen