Uitspraak
21.739 WUV, 21/740 WUBO
OVERWEGINGEN
WUV
WUBO
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1941, diende in april 2020 een aanvraag in voor uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder wees de aanvraag af omdat appellante geen vervolging had ondergaan en onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat zij was getroffen door oorlogsgeweld.
De Raad overwoog dat de moeder van appellante uit een gemengd huwelijk kwam en dat de Duitse bezetter in beginsel geen vervolgingsmaatregelen richtte tegen kinderen uit gemengde huwelijken. Het feit dat het gezin meerdere keren verhuisde om razzia’s te ontlopen, kwalificeerde niet als onderduik in de zin van de Wuv, mede omdat de verhuizingen in het bevolkingsregister waren opgenomen.
Voor de Wubo was niet gebleken van oorlogsgebeurtenissen die onder de wet vallen. De Raad concludeerde dat verweerder terecht geen onderzoek deed naar gelijkstelling met vervolgden en dat de beroepen ongegrond zijn. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen van appellante tegen de afwijzing van haar aanvragen op grond van de Wuv en Wubo worden ongegrond verklaard.