Appellant was van juni 2014 tot september 2015 werkzaam op een schip onder Panamese vlag en was volgens de Belastingdienst verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. Op zijn verzoek is hij echter bij besluit van 1 februari 2019 uitgesloten van deze verzekeringen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft hierop een herzieningsbesluit genomen en kinderbijslag teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit niet-ontvankelijk en vernietigde het bestreden besluit. In hoger beroep betoogde appellant dat hij op grond van Europees recht verzekerd was en dus recht had op kinderbijslag. De Svb stelde dat het verzoek tot vrijstelling rechtsgeldig was en niet was aangevochten.
De Raad oordeelt dat het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit wel ontvankelijk is omdat dit besluit andere rechtsgevolgen heeft dan het oorspronkelijke vrijstellingsbesluit. De Raad bevestigt dat appellant niet verzekerd was en dat de Svb terecht heeft herzien en teruggevorderd. Het EU-recht verplicht niet tot het herzien van het definitieve besluit van 1 februari 2019. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Svb wordt veroordeeld in de proceskosten.