Appellant ontvangt sinds 2013 een AOW-pensioen en heeft in 2013 en 2016 een aanvraag ingediend voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Bij de aanvraag in 2013 meldde hij bezit van onroerend goed in Suriname, maar de aanvraag werd buiten behandeling gesteld wegens ontbrekende stukken. In 2016 verklaarde appellant geen onroerend goed te bezitten, waarna de AIO-aanvulling werd toegekend.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft appellant meerdere keren gewezen op zijn meldingsplicht omtrent onroerend goed. Pas in 2019 meldde appellant mede-eigendom van een perceel in Suriname, maar weigerde hij medewerking aan taxatie en onderzoek. De Svb trok daarop de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht in wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant de relevante informatie niet had verstrekt. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij in 2013 al melding had gemaakt en dat hij het onroerend goed inmiddels aan zijn kinderen had overgedragen via een stichting, maar leverde geen bewijs daarvoor. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en benadrukt dat eerdere melding in 2013 niet ontslaat van de verplichting om bij een nieuwe aanvraag opnieuw te melden. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de AIO-aanvulling blijft in stand.