Appellant ontving sinds januari 2018 bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg in februari 2019 bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting van zijn nieuwe woning. Het college wees deze aanvraag af omdat de kosten als algemene incidentele kosten van het bestaan worden beschouwd die uit het inkomen moeten worden voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij op grond van beleidsvoorschriften voor bijzondere bijstand in aanmerking zou komen omdat hij als voormalig dakloze moest worden aangemerkt. Daarnaast stelde hij dat schulden en de kostendelersnorm hem financieel belemmerden om te reserveren. De Raad oordeelde dat appellant niet gelijkgesteld kan worden met een voormalig dakloze aangezien hij bij zijn aanvraag aangaf inwonend te zijn bij zijn ex-vriendin en dat hij dit ook niet had gemeld als zijn situatie was veranderd.
Verder oordeelde de Raad dat het ontbreken van reserveringsruimte door schulden geen bijzondere omstandigheid is die bijzondere bijstand rechtvaardigt. Ook de toepassing van de kostendelersnorm sluit niet uit dat appellant kon reserveren. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het verzoek tot vergoeding van schade af.