ECLI:NL:CRVB:2022:1112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag individuele gehandicaptenparkeerplaats nabij woning
Appellante, woonachtig aan een adres in Den Haag en houder van een gehandicaptenparkeerkaart, diende op 1 april 2019 een aanvraag in voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats bij haar woning. Het college wees op 22 mei 2019 een parkeerplaats aan nabij haar woning, maar appellante maakte bezwaar tegen de ligging vanwege overlast door vogeluitwerpselen onder een boom.
Het college verklaarde het bezwaar ongegrond op 10 oktober 2019, stellende dat de parkeerplaats dicht bij de woning moest blijven en dat het verplaatsen mogelijk niet de overlast zou verminderen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de locatie ongeschikt was en de gezondheidsklachten niet waren onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar geestelijk en lichamelijk welzijn en dat de boom direct naast de parkeerplaats overlast veroorzaakte. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellante niet had aangetoond dat haar gezondheidsklachten waren toegenomen door de situatie.
De Raad concludeerde dat het college in redelijkheid tot haar belangenafweging was gekomen en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangewezen gehandicaptenparkeerplaats blijft gehandhaafd.