Uitspraak
21.1398 MAW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als medewerker buitenland bij de Koninklijke Marechaussee, verzocht om herwaardering van zijn functie naar een hogere rang, gelijk aan die van medewerkers van het Gemeenschappelijk Grens Coördinatiecentrum (GGC). Hij stelde dat hij tijdens zijn werkzaamheden op de locatie van het GGC dezelfde taken verrichtte als de medewerkers die met terugwerkende kracht waren bevorderd.
De commandant wees het verzoek af omdat de werkzaamheden van appellant vooral bestonden uit het doorverwijzen van strafdossiers, terwijl medewerkers GGC specialistische taken verrichten zoals het uitwisselen van politieinformatie en coördinatie van grensoverschrijdende taken, waarvoor kennis van de Vreemdelingenwet en internationale verdragen vereist is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat incidenteel waarnemen van GGC-taken niet betekent dat de functies vergelijkbaar zijn. Ook het feit dat taken van de medewerker buitenland later als extra taken bij een medewerker GGC werden ondergebracht, rechtvaardigt geen herwaardering.
Het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente werd eveneens afgewezen. De Raad vond geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het verzoek om herwaardering van de functie en vergoeding van schade wordt afgewezen omdat de functies niet vergelijkbaar zijn.