ECLI:NL:CRVB:2022:1137

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
19/3464 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het besluit tot beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig UWV-onderzoek

Appellante was werkzaam als cateringbeheerder en meldde zich in 2014 ziek vanwege klachten aan haar rechterarm. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek weigerde het UWV haar een WIA-uitkering toe te kennen. In 2017 meldde zij zich opnieuw ziek met rugklachten. Het UWV stelde vast dat zij geschikt was voor de eerder geselecteerde functies en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor haar klachten. In hoger beroep voerde appellante aan beperkt te zijn in het gebruik van beide armen en dat nek- en rugbelasting haar belemmerden, met medische rapporten ter onderbouwing. Zij verzocht om een onafhankelijke deskundige.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de conclusies van de verzekeringsartsen juist waren. De Raad zag geen aanleiding om het oordeel te herzien of een deskundige in te schakelen. Appellante was geschikt voor de WIA-beoordeelde functies en had geen recht meer op ziekengeld. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

19 3464 ZW

Datum uitspraak: 18 mei 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
27 juni 2019, 18/901 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.W. de Vos van Steenwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op 6 april 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Vos van Steenwijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als cateringbeheerder. In 2014 heeft appellante zich ziekgemeld vanwege klachten aan haar rechterarm. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv – na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek – geweigerd appellante met ingang van 5 april 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard.
1.2.
Appellante heeft zich op 1 juni 2017 ziekgemeld in verband met rugklachten en toenemende pijnklachten. In het kader van deze melding heeft appellante het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft appellante onderzocht en geconcludeerd dat zij geschikt is voor de eerder in de WIA-procedure geselecteerde functie van hulpverkoper. Bij besluit van 7 juli 2017 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per 1 juni 2017, subsidiair per 6 juli 2017, arbeidsgeschikt is op grond van de ZW. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 december 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij medische informatie, waaronder foto’s van de Kliniek Lange Voorhout, overgelegd. Het Uww heeft in reactie hierop rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is uitgevoerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep omdat een onderbouwing van de geclaimde toegenomen fysieke (arm) klachten en de hieraan gekoppelde beperkingen in deze procedure ontbreekt, terwijl appellante, ook gelet op het tijdsverloop, voldoende in de gelegenheid is geweest om haar medische situatie nader te onderbouwen. Appellante heeft noch vóór de operatie aan haar rechterarm noch nadien enige medische informatie aangaande het verloop van de operatie en de resultaten van haar operatieve ingreep, die betrekking heeft op de datum hier in geding, overgelegd. De rechtbank heeft niet getwijfeld aan de medische grondslag van het bestreden besluit en heeft geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen. De stelling van appellante dat zij gezien haar (toegenomen) fysieke klachten niet in staat is om de aan haar destijds geduide functies te vervullen, slaagt volgens de rechtbank dan ook niet.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij beperkt is in het gebruik van beide armen en dat de belasting van nek en rug een beletsel vormt om de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies uit te voeren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar een onderzoek van de orthopedisch chirurg Den Hollander van 20 november 2019 en een rapport van arts-gemachtigde Ait van 12 juni 2020 overgelegd. Appellante heeft verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Appellante is verder van mening dat de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies ongeschikt zijn voor haar.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 januari 2021, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
4.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 4 januari 2021 afdoende gemotiveerd dat de informatie van de arts-gemachtigde Ait ziet op een latere datum in geding en waarom deze geen aanleiding heeft gegeven voor een andersluidend oordeel.
4.3.
Er bestaat daarom geen aanleiding de conclusies van het Uwv ten aanzien van de geschiktheid van appellante per 1 juni 2017 en per 6 juli 2017 voor de bij de
WIA-beoordeling geselecteerde functies voor onjuist te houden.
4.4.
Het standpunt van appellante dat de hiervoor genoemde geselecteerde functies ongeschikt zijn voor haar, slaagt niet. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2008:BG4669) staat in dit geding de passendheid van die functies niet meer ter discussie. Het gaat nog slechts om de vraag of appellante op de datum in geding op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, al dan niet ongeschikt was voor één van die functies.
4.5.
Het Uwv heeft dan ook op goede gronden bepaald dat appellante zowel per 1 juni 2017, als per 6 juli 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Er is geen aanleiding om – zoals door appellante verzocht – een deskundige te benoemen. Dat verzoek wordt dan ook afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2022.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) L. Winters