Uitspraak
19 3464 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
WIA-beoordeling geselecteerde functies voor onjuist te houden.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als cateringbeheerder en meldde zich in 2014 ziek vanwege klachten aan haar rechterarm. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek weigerde het UWV haar een WIA-uitkering toe te kennen. In 2017 meldde zij zich opnieuw ziek met rugklachten. Het UWV stelde vast dat zij geschikt was voor de eerder geselecteerde functies en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor haar klachten. In hoger beroep voerde appellante aan beperkt te zijn in het gebruik van beide armen en dat nek- en rugbelasting haar belemmerden, met medische rapporten ter onderbouwing. Zij verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de conclusies van de verzekeringsartsen juist waren. De Raad zag geen aanleiding om het oordeel te herzien of een deskundige in te schakelen. Appellante was geschikt voor de WIA-beoordeelde functies en had geen recht meer op ziekengeld. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.