Appellant was werkzaam als agrarisch medewerker en meldde zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% vast en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Tijdens hoger beroep stelde een verzekeringsarts een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met verdergaande beperkingen, wat leidde tot een gewijzigde beslissing van het UWV waarin een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 40,48%.
Appellant voerde aan dat de beperkingen onvoldoende waren vastgesteld, onder meer vanwege psychische klachten, medicatiegebruik, rugklachten en beperkte taalvaardigheid. De Raad concludeerde dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld, dat de medische en arbeidskundige onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de geselecteerde functies passend waren, ook gezien de beperkte leesvaardigheid.
De Raad vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De mate van arbeidsongeschiktheid werd bevestigd op 40,48% met ingang van 10 oktober 2017.