ECLI:NL:CRVB:2022:1152

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 mei 2022
Publicatiedatum
25 mei 2022
Zaaknummer
20/3563 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 PWArt. 16 PWArt. 13 PWArt. 14 PWArt. 15 PW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente

Appellante ontving van 1 april 2016 tot 3 oktober 2018 bijstand als alleenstaande ouder op grond van de Participatiewet. De bijstand werd ingetrokken omdat zij geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in de gemeente Doetinchem. Een nieuwe aanvraag van 1 februari 2019 werd afgewezen wegens het ontbreken van een hoofdverblijf in die gemeente.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoofdverblijf bepalend is voor de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet. Dit wordt vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante verklaarde tijdens een intakegesprek dat zij nauwelijks in Doetinchem verbleef, haar leven niet daar voerde en geen activiteiten in die gemeente verrichtte. Ook als zij incidenteel in de woning verbleef, vertrok zij direct weer.

Het hoger beroepschrift waarin appellante stelt vrijwel alle nachten in de woning te hebben doorgebracht, acht de Raad niet geloofwaardig. Haar gevoel van onveiligheid en niet-thuis-zijn doet niet af aan de eis dat men daadwerkelijk in de gemeente moet wonen om recht op bijstand te hebben. Een beroep op dringende redenen wordt verworpen omdat zij niet is uitgesloten op grond van de relevante artikelen van de Participatiewet.

Het hoger beroep wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het ontbreken van een hoofdverblijf in de gemeente.

Uitspraak

20.3563 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 september 2020, 19/6481 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het algemeen bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Laborijn (algemeen bestuur)
Datum uitspraak: 17 mei 2022
Zitting heeft: M. Hillen als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: Y. Al-Qaq
Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam].

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellante heeft in de periode van 1 april 2016 tot en met 3 oktober 2018 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontvangen, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). De bijstand is per 4 oktober 2018 ingetrokken omdat appellante geen hoofdverblijf had op adres X (uitkeringsadres) te [plaats].
De aanvraag van 1 februari 2019 (melding 21 januari 2019) is afgewezen op grond van
artikel 40, eerste lid, van de PW. Omdat appellante geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres heeft zij geen recht op bijstand in de gemeente [plaats].
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038) is voor het antwoord van de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is, uitsluitend bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als er geen hoofdverblijf is aan te wijzen, waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
Net als de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante ten tijde van de periode in geding, die loopt van 1 februari 2019 tot en met 6 maart 2019, geen woonplaats had in de gemeente [plaats]. Van betekenis hiervoor is dat appellante tijdens een intakegesprek op
1 februari 2019 meermaals duidelijk heeft verklaard dat zij niet dan wel nauwelijks in [plaats] verblijft. Appellante heeft daarbij verklaard dat zij haar leven niet in [plaats] heeft en daar geen activiteiten verricht. Als ze al een keer in de woning op het uitkeringsadres slaapt, is zij ’s ochtends meteen weer weg, weg uit [plaats]. Dat appellante in het hoger beroepschrift heeft gesteld dat zij tot en met 31 mei 2019 vrijwel alle nachten in de woning op het uitkeringsadres heeft geslapen, acht de Raad dan ook niet geloofwaardig. Dat appellante zich niet veilig en niet thuis voelde in [plaats], op het uitkeringsadres, doet – hoe ingrijpend dat ook voor haar is – niet af aan het feit dat appellante in het kader van de beoordeling van de bijstandsaanvraag daadwerkelijk moet wonen in de gemeente [plaats].
Appellante heeft een beroep gedaan op dringende redenen in de zin van artikel 16 van Pro de PW.
Omdat appellante niet op grond van de artikelen 13 tot en met 15 van de PW is uitgesloten van het recht op bijstand, is zij niet een persoon als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Daarom is deze bepaling in de situatie van appellante niet van toepassing. Dit betekent dat aan de beoordeling of er zeer dringende redenen zijn niet wordt toegekomen.
Het hoger beroep slaagt niet en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) Y. Al-Qaq (getekend) M. Hillen