Uitspraak
20.3563 PW-PV
BESLISSING
artikel 40, eerste lid, van de PW. Omdat appellante geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres heeft zij geen recht op bijstand in de gemeente [plaats].
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving van 1 april 2016 tot 3 oktober 2018 bijstand als alleenstaande ouder op grond van de Participatiewet. De bijstand werd ingetrokken omdat zij geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in de gemeente Doetinchem. Een nieuwe aanvraag van 1 februari 2019 werd afgewezen wegens het ontbreken van een hoofdverblijf in die gemeente.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoofdverblijf bepalend is voor de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet. Dit wordt vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante verklaarde tijdens een intakegesprek dat zij nauwelijks in Doetinchem verbleef, haar leven niet daar voerde en geen activiteiten in die gemeente verrichtte. Ook als zij incidenteel in de woning verbleef, vertrok zij direct weer.
Het hoger beroepschrift waarin appellante stelt vrijwel alle nachten in de woning te hebben doorgebracht, acht de Raad niet geloofwaardig. Haar gevoel van onveiligheid en niet-thuis-zijn doet niet af aan de eis dat men daadwerkelijk in de gemeente moet wonen om recht op bijstand te hebben. Een beroep op dringende redenen wordt verworpen omdat zij niet is uitgesloten op grond van de relevante artikelen van de Participatiewet.
Het hoger beroep wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het ontbreken van een hoofdverblijf in de gemeente.