Appellant ontving bijstand sinds 2010 en stond tot 31 mei 2017 ingeschreven op adres A in zijn woonplaats. Vanaf 1 juni 2017 stond hij ingeschreven op adres B, waar hij een kamer zou huren, maar feitelijk verbleef hij bij zijn zieke moeder in een andere plaats. Het college trok de bijstand vanaf 1 januari 2017 in wegens onjuiste informatie over zijn woonsituatie en herzag de bijstand over 2014-2016 vanwege niet gemelde inkomsten van derden op zijn bankrekening.
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende onderzoek deed naar de woonsituatie in de periode tot 31 mei 2017, waardoor het besluit tot intrekking voor die periode niet zorgvuldig is voorbereid en vernietigd moet worden. Voor de periode vanaf 1 juni 2017 is vastgesteld dat appellant zijn woonplaats heeft verplaatst naar de plaats waar zijn moeder woonde, en het college terecht de bijstand introk wegens schending van de inlichtingenplicht.
Ten aanzien van de herziening over 2014-2016 oordeelt de Raad dat een deel van de teruggevorderde bedragen ten onrechte als middelen is aangemerkt, met name bedragen afkomstig van de eigen spaarrekening. De terugvordering wordt daarom vernietigd en het college moet een nieuwe berekening maken. Het college wordt veroordeeld in de kosten van appellant en moet het betaalde griffierecht vergoeden.