ECLI:NL:CRVB:2022:116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig monteur isolatieplaten, meldde zich ziek na een hartinfarct en ontving een Ziektewetuitkering. Na medische en arbeidskundige onderzoeken stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit vanwege onvoldoende motivering van de arbeidskundige beoordeling, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat ook op grond van resterende functies de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, onder meer door mentale klachten, hoofdpijn, slaapapneu en visusproblemen. De Raad oordeelde echter dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende rekening hielden met deze klachten en dat er geen nieuwe medische informatie was die tot andere beperkingen leidde. De behandeling van slaapapneu met CPAP was adequaat en de eerder opgelegde rijontzegging was opgeheven.
De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.