Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd geconfronteerd met een herziening en terugvordering van bijstand over de periode 1 juli 2017 tot en met 31 juli 2018 vanwege vijf niet gemelde stortingen op haar bankrekening.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de eerste twee stortingen van € 500,- en € 520,- afkomstig waren van eerder gepind geld en dat de overige drie stortingen leningen betroffen. Zelfs indien sprake zou zijn van leningen, zijn deze volgens artikel 32, tweede lid, PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Het college heeft de stortingen terecht als inkomen aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht.
Appellante voerde aan dat zij niet wist dat zij leningen moest melden en dat terugvordering haar gezondheid zou schaden, maar deze gronden werden verworpen omdat het redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat ontvangen geldbedragen invloed hebben op het recht op bijstand en dringende redenen niet aannemelijk waren gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Limburg en het bestreden besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beesel, waarmee de bijstand werd herzien en teruggevorderd.