ECLI:NL:CRVB:2022:1223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante was gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering van het UWV. Na een herbeoordeling op verzoek van appellante werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna de WGA-vervolguitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar psychische en lichamelijke klachten onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd. Ook in hoger beroep voerde appellante aan dat er onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten, maar de Raad volgde de rechtbank en het UWV. De medische informatie, inclusief latere rapporten, toonde geen ernstige psychiatrische stoornis die de eerdere beoordeling zou ondermijnen.
De Raad vond dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante adequaat hadden vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WGA-vervolguitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtmatige beëindiging van de WGA-vervolguitkering.