ECLI:NL:CRVB:2022:1225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 12 november 2019 waarin werd vastgesteld dat hij na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering per 21 september 2019 geen recht meer zou hebben op een WIA-uitkering. Het bezwaar werd door het UWV gegrond verklaard, met als gevolg dat appellant vanaf 1 december 2019 geen WIA-uitkering meer zou ontvangen.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Tegen deze uitspraak ging appellant in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting gaf het UWV aan het bestreden besluit niet langer te handhaven, omdat appellant per 1 januari 2020 weer een WGA-loonaanvullingsuitkering was toegekend vanwege volledige arbeidsongeschiktheid.
De Raad concludeerde dat het niet aannemelijk is dat de situatie op 1 december 2019 anders was dan op 1 januari 2020. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het bestreden besluit vernietigd. Tevens werd het besluit van 22 januari 2019 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, waardoor de WIA-uitkering wordt voortgezet vanaf 21 september 2019.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de WIA-uitkering wordt voortgezet vanaf 21 september 2019.