ECLI:NL:CRVB:2022:1250

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2022
Publicatiedatum
13 juni 2022
Zaaknummer
21/2288 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ANWArt. 14 ANW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging nabestaandenuitkering wegens leeftijd kind en onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant ontving sinds september 2006 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot de uitkering per maart 2019 te beëindigen omdat het jongste kind van appellant op die datum achttien jaar werd. Appellant stelde dat hij meer dan 45% arbeidsongeschikt was en daarom recht had op voortzetting van de uitkering.

De Svb baseerde haar besluit op medisch en arbeidskundig advies van het UWV, dat concludeerde dat appellant niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep bevestigd. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant voldoende waren betrokken in de beoordeling. Appellant bracht geen nieuwe medische informatie in die aanleiding gaf tot twijfel.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat de verzekeringsarts geen informatie had ingewonnen bij zijn huisarts en het onderzoek door de reumatoloog nog niet was afgerond. De Raad stelde dat appellant deze informatie zelf had moeten aanleveren en dat alleen de situatie op de peildatum relevant is. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant niet meer dan 45% arbeidsongeschikt is en bevestigde de beëindiging van de nabestaandenuitkering.

Uitkomst: De nabestaandenuitkering is terecht beëindigd omdat appellant niet meer dan 45% arbeidsongeschikt is en het jongste kind achttien is geworden.

Uitspraak

21.2288 ANW

Datum uitspraak: 9 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
10 mei 2021, 20/4584 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

Feiten
1.1.
Aan appellant is vanaf september 2006 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend. Bij besluit van 8 november 2018 heeft de Svb appellant bericht dat zijn nabestaandenuitkering per maart 2019 wordt beëindigd, omdat zijn jongste kind op [geboortedatum kind] 2019 achttien jaar wordt.
1.2.
Hierop heeft appellant de Svb te kennen gegeven dat hij meer dan 45% arbeidsongeschikt is en dat hij om die reden een nabestaandenuitkering wil behouden.
Besluitvorming Svb
1.3.
Bij besluit van 24 juli 2019 heeft de Svb appellant medegedeeld dat zijn nabestaandenuitkering vanaf maart 2019 niet wordt voortgezet, omdat hij niet voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is. Daarbij heeft de Svb verwezen naar een medisch en arbeidskundig advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
1.4.
Bij het bestreden besluit van 4 juni 2020 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv.
Procedure bij de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de medische beoordeling door het Uwv zorgvuldig is geweest. De aandoeningen en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn bij de medische beoordeling betrokken. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft tot twijfel over die beoordeling. Als de verzekeringsarts geen aanleiding heeft om grote wijzigingen in de belastbaarheid te verwachten, mag de verzekeringsarts oordelen voordat alle uitslagen binnen zijn. Uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van appellant voor de geduide functies.
Standpunt in hoger beroep
3. Appellant heeft aangevoerd dat er sprake is van een onzorgvuldig medisch onderzoek omdat de verzekeringsarts geen informatie heeft ingewonnen bij zijn huisarts. Hij begrijpt niet hoe de verzekeringsarts een medisch oordeel heeft kunnen vellen, terwijl het onderzoek door de reumatoloog op dat moment nog niet was afgerond. Hij begrijpt evenmin hoe de verzekeringsarts op korte termijn verbetering zag. Zijn beperkingen ten gevolge van de psoriasis en de spier- en gewrichtsklachten zijn alleen maar verder toegenomen. Hij is nog steeds onder behandeling en hij acht zich geheel niet in staat werkzaamheden te verrichten.
Oordeel van de Raad
4.1.
In geding is de vraag of appellant op grond van artikel 14, eerste lid, van de ANW ook na 28 februari 2019 nog recht heeft op een nabestaandenuitkering. Niet in geschil is dat hiervoor alleen van belang is of appellant op die datum meer dan 45% arbeidsongeschikt is.
4.2.
Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is, recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van Pro de ANW. In dit artikel is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Volgens vaste rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling heeft willen aansluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten. Bij de toepassing van artikel 11 van Pro de ANW wordt daarom, zo mogelijk, aansluiting gezocht bij de regelgeving en de rechtspraak over het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn medische beperkingen is in de kern een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de door de verzekeringsartsen verrichte onderzoeken en de op grond van die onderzoeken vastgestelde belastbaarheid van appellant. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt nog het volgende overwogen.
4.4.
Op basis van de informatie van de behandeld reumatoloog van appellant van 2 juli 2019 heeft onder meer de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 1 april 2020 vastgesteld dat de reumatoloog geen aanwijzingen heeft gevonden voor een inflammatoir proces van de gewrichten. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat de reumatoloog voor de aanhoudende klachten geen medische verklaring heeft. Voor zover appellant meent dat de informatie van de reumatoloog niet juist of onvolledig is of dat informatie van zijn behandelaar(s) of de huisarts - ontbreekt, had het op zijn weg gelegen deze in het geding te brengen. Daarbij merkt de Raad op dat de door appellant gestelde toegenomen beperkingen ten gevolge van een verdere verslechtering van zijn gezondheidssituatie na de peildatum geen recht kunnen doen ontstaan op een nabestaandenuitkering, omdat uitsluitend de situatie op de datum van beëindiging van belang is.
4.5.
In hoger beroep zijn geen afzonderlijke arbeidskundige gronden ingediend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, uitgaande van de vastgestelde FML, appellant in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten.
Conclusie
4.6.
Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) L.C. van Bentum