Uitspraak
21.2288 ANW
10 mei 2021, 20/4584 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds september 2006 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot de uitkering per maart 2019 te beëindigen omdat het jongste kind van appellant op die datum achttien jaar werd. Appellant stelde dat hij meer dan 45% arbeidsongeschikt was en daarom recht had op voortzetting van de uitkering.
De Svb baseerde haar besluit op medisch en arbeidskundig advies van het UWV, dat concludeerde dat appellant niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep bevestigd. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant voldoende waren betrokken in de beoordeling. Appellant bracht geen nieuwe medische informatie in die aanleiding gaf tot twijfel.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat de verzekeringsarts geen informatie had ingewonnen bij zijn huisarts en het onderzoek door de reumatoloog nog niet was afgerond. De Raad stelde dat appellant deze informatie zelf had moeten aanleveren en dat alleen de situatie op de peildatum relevant is. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant niet meer dan 45% arbeidsongeschikt is en bevestigde de beëindiging van de nabestaandenuitkering.
Uitkomst: De nabestaandenuitkering is terecht beëindigd omdat appellant niet meer dan 45% arbeidsongeschikt is en het jongste kind achttien is geworden.