Appellant, geboren in 1935, lijdt aan diverse psychogeriatrische en lichamelijke aandoeningen en verblijft sinds 2019 in een beschermde woonomgeving. Hij vroeg op 4 februari 2019 een hogere Wlz-indicatie aan voor het zorgprofiel VV Beschermd wonen met zeer intensieve zorg vanwege specifieke aandoeningen, met nadruk op begeleiding.
Het CIZ wees deze aanvraag af op 26 maart 2019, bevestigd bij bezwaar op 24 juli 2019, omdat de gedragsproblematiek niet objectief kon worden vastgesteld en er geen medische noodzaak was voor het gevraagde zorgprofiel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het door CIZ toegewezen zorgprofiel passend is.
In hoger beroep stelde appellant dat hij intensieve begeleiding nodig heeft en overhandigde een ongedateerde brief van een geriater ter onderbouwing. De Raad concludeerde echter dat het medisch advies van het CIZ juist is en dat de brief geen aanwijzingen bevat voor gedragsproblemen die een hogere indicatie rechtvaardigen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder proceskosten toe te kennen.