ECLI:NL:CRVB:2022:1270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als postmedewerkster, meldde zich ziek met diverse klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische beperkingen objectief waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar ziektebeeld zwaarder moest worden beoordeeld. Zij verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde om de eerdere beoordeling te betwijfelen. De klachten waren niet objectief medisch vast te stellen en de verzekeringsartsen hadden de beperkingen adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst opgenomen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige en ook geen grond voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.