ECLI:NL:CRVB:2022:1276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als managementassistente, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet verder gingen dan vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen door het UWV waren onderschat, met name vanwege het Post Trombotisch Syndroom en rugklachten, en dat het TENS-apparaat niet was meegenomen. Ook stelde zij dat haar leeftijd en klachten het volgen van een aanvullende opleiding en het vinden van werk bemoeilijkten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat er geen medische gronden waren om de beperkingen verder te verzwaren. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellante. De bezwaren over leeftijd en arbeidsmarkt werden niet gevolgd omdat deze niet relevant zijn voor de theoretische arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering bevestigd.