ECLI:NL:CRVB:2022:1277
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en geschil over WIA-uitkering
Appellant was werkzaam als verkoopadviseur en meldde zich in 2014 ziek vanwege hart- en psychische klachten. Na een aanvraag WIA-uitkering in 2016 kende het UWV hem een uitkering toe gebaseerd op 61,64% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen stelde een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 63,12%, waarbij de geselecteerde functies medisch geschikt werden bevonden.
Appellant maakte bezwaar tegen de besluiten van het UWV, onder meer omdat hij meende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en de geselecteerde functies niet passend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd waarom de functies geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en vroeg om benoeming van een onafhankelijke deskundige en vergoeding van wettelijke rente. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank, vond het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende gemotiveerd en zag geen aanleiding tot nader onderzoek. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid 63,12% bedraagt en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.