Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1278

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
13 juni 2022
Zaaknummer
21/3472 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling

Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, kreeg vanaf 29 mei 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgever stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid sinds 4 november 2019 minder dan 35% bedroeg, waarna de WGA-uitkering werd beëindigd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd en dat appellante geen nieuwe medische informatie had aangeleverd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onduidelijkheden bevatte over realistische deadlines en beperkingen bij staan, wat van belang is voor de geschiktheid van bepaalde functies.

De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat de medische beoordeling niet onjuist is en dat de geselecteerde functies passend zijn binnen de beperkingen van appellante. De Raad oordeelde dat de toelichting over deadlines en het onderscheid tussen statisch en dynamisch staan voldoende onderbouwd zijn en dat de functies machinebediende en buffetbediende geschikt zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WGA-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.

Uitspraak

21.3472 WIA

Datum uitspraak: 1 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
27 augustus 2021, 20/4680 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor 15,45 uur per week. Op 28 mei 2015 heeft zij zich ziek gemeld met diverse lichamelijke en psychische klachten. Na afloop van de periode van loondoorbetaling heeft het Uwv aan appellante met ingang van 29 mei 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden bepaald op 80% of meer.
1.2.
In het kader van een herbeoordeling op verzoek van de werkgever heeft appellante het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 oktober 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 13 november 2019 vastgesteld dat appellante met ingang van 4 november 2019 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 november 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 4 november 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 9 november 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de medische beoordeling van het Uwv niet onjuist is. In het rapport van 23 oktober 2019 heeft de arts gemotiveerd toegelicht waarom hij in de FML een aantal wijzigingen ten opzichte van de FML van 8 juni 2017 heeft aangebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts alle medisch onderbouwde beperkingen bij zijn beoordeling betrokken. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze op een foute manier zijn vertaald naar de FML van 17 oktober 2019. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen zoals deze zijn opgenomen in de FML van 17 oktober 2019 ongewijzigd heeft gelaten, maakt de medische beoordeling bij het bestreden besluit – gelet op de motivering in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 november 2020 – niet onjuist. Appellante heeft haar stelling dat zij meer beperkt is niet onderbouwd met nieuwe medische informatie van een arts. Dit geldt ook voor haar stelling dat in de FML onder rubriek 1.7 ten onrechte de toelichting is opgenomen dat enkele realistische deadlines voor appellante wel mogelijk zijn. De rechtbank ziet in hetgeen appellante aanvoert geen aanleiding voor de conclusie dat appellantes belastbaarheid in de geduide functies wordt overschreden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 9 november 2020, gelet op de nadere toelichting in het aanvullende rapport van 12 mei 2021, voldoende gemotiveerd waarom deze functies passend zijn bij de belastbaarheid kan appellante.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante in de eerste plaats aangevoerd dat in de FML ten onrechte de toelichting is opgenomen dat enkele realistische deadlines wel mogelijk zijn. De vraag die nog immer onbeantwoord blijft en die wel van belang is voor de arbeidsdeskundige om een functie te kunnen duiden, is wat 'realistische deadlines' voor appellante zijn. Indien de betekenis van deze beperking/toevoeging niet wordt uitgelegd, kan een arbeidsdeskundige ook niet beoordelen of een bepaalde functie (theoretisch) voor appellante wel of niet geschikt is. Dit is met name van belang voor de beoordeling van de passendheid van de functies machinebediende (SBC-code 271093) en buffetbediende (SBC-code 111080).
Als tweede punt heeft appellante vastgesteld dat in de FML bij beoordelingspunt 5.3.1 is weergegeven dat appellante licht beperkt is op het staan (ze kan ongeveer een half uur achtereen staan) en – bij beoordelingspunt 5.4.1 – beperkt is op het staan tijdens het werk (ze kan zo nodig gedurende een beperkt deel van de werkdag staan (ongeveer 1 uur, in de toelichting is vermeld: maximaal 2 uur per dag). In de functiebuffetbediende moet langer gestaan worden. Het Uwv onderscheidt tussen statisch en dynamisch staan, maar dat onderscheid wordt niet nader onderbouwd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 14 januari 2020 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellante heeft beëindigd.
4.3.
Met de rechtbank overweegt de Raad dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet onjuist wordt geacht. De Raad verwijst naar de overwegingen zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne.
4.4.1.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.
4.4.2.
In de FML van 17 oktober 2019 is een beperking opgenomen bij beoordelingspunt
1.9.7 ‘de klant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken’.Hierbij is als toelichting gegeven: enkele realistische deadlines zijn wel mogelijk. Het in het verweerschrift (en in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 maart 2021) verwoorde standpunt van het Uwv dat de functies ook met betrekking tot dit punt geschikt zijn wordt gevolgd. In de geselecteerde functies machinebediende en buffetbediende komt geen kenmerkende belasting op het betreffende beoordelingspunt voor. Wel zijn er productienormen. Een productienorm is de gemiddelde productie die van iedere medewerker verwacht wordt. Een productienorm is geen deadline. De functies worden daarom geschikt geacht.
4.4.3.
De grond van appellante dat in de twee door haar genoemde functies te lang moet worden gestaan, slaagt niet. Van belang is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar bij het verweerschrift in hoger beroep gevoegde e-mailbericht van 12 mei 2021 aan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kenbaar heeft gemaakt dat appellante beperkt is op langdurig staan. Tegen dynamisch staan is geen bezwaar. In lijn daarmee heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 12 mei 2021 afdoende gemotiveerd dat in de functie van barbediende tijdens vier werkuren 30 keer één minuut gestaan moet worden. Dit is in totaal 2 uur. Daarbij is aangegeven dat het dynamisch staan betreft, waarbij staan en lopen voortdurend worden afgewisseld. Het maximum van 2 uur staan wordt niet overschreden, zodat de functie geschikt wordt geacht.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2022.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) A.M.M. Chevalier