ECLI:NL:CRVB:2022:1283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van ziekengelduitkering na zorgvuldige medische beoordeling door UWV bevestigd
Appellante was werkzaam als managementassistente en meldde zich ziek in oktober 2017. Na een afwijzing van een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, ontving zij vanaf juni 2020 een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 1 september 2020 na medisch onderzoek, omdat appellante geschikt werd geacht voor bepaalde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, omdat zij onvoldoende medische onderbouwing leverde voor haar beperkingen, met name ten aanzien van haar linkerbeenklachten en het gebruik van een TENS-apparaat. De rechtbank oordeelde dat geschiktheid voor één van de geselecteerde functies voldoende is voor hersteldverklaring.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onterecht geen Amber-beoordeling had uitgevoerd en dat haar beperkingen niet juist waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de rechtbank de gronden van appellante terecht had afgewezen. De Raad bevestigde dat in een Ziektewetprocedure geen ruimte is om aanspraken op grond van de WIA te betrekken.
De medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep toonde geen objectieve aanwijzingen voor verergering van de klachten. Appellante bracht geen aanvullende medische informatie in. De Raad concludeerde dat het UWV de uitkering terecht heeft beëindigd en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ziekengelduitkering van appellante terecht heeft beëindigd per 1 september 2020.