ECLI:NL:CRVB:2022:1289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in WIA-zaak
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg in een WIA-zaak. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat een vereiste is volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gemachtigde van appellante is hierop bij brief van 1 maart 2022 gewezen en kreeg vier weken de tijd om dit te herstellen, maar heeft deze termijn niet benut.
Vervolgens is bij aangetekende brief van 1 april 2022 opnieuw een termijn van vier weken gesteld om alsnog beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-inhoudelijke behandeling. Ook deze termijn is ongebruikt verstreken zonder dat redenen voor verontschuldiging zijn gebleken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt daarom dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en besluit zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.P.M. Zeijen met griffier J.M. Labage op 8 juni 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen daarvan binnen gestelde termijnen.