ECLI:NL:CRVB:2022:1306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als persoonlijk begeleider, ontving sinds 2013 een WGA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV vast dat haar mate van arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 35%, waarna de WGA-vervolguitkering werd beëindigd. Werkgeefster maakte bezwaar tegen dit besluit, waarop het UWV het bezwaar gegrond verklaarde en de uitkering beëindigde per 15 juli 2016.
Appellante stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen onderschat waren, met name met betrekking tot urenbeperkingen per dag en week. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat een urenbeperking onvoldoende onderbouwd kon worden. De deskundige baseerde zich op uitgebreid dossieronderzoek, overleg met een internist en literatuurstudie.
De Raad oordeelde dat de conclusies van de deskundige overtuigend en zorgvuldig gemotiveerd waren. De arbeidsdeskundige had bovendien voldoende aangetoond dat de belastbaarheid in de geselecteerde functies niet werd overschreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WGA-vervolguitkering van appellante is terecht beëindigd vanwege onvoldoende onderbouwde urenbeperkingen en niet overschrijden van belastbaarheid in geselecteerde functies.