Appellant was werkzaam als storingsmonteur en meldde zich ziek op 8 augustus 2016. Na diverse beoordelingen stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 augustus 2018 vast op 55 tot 65%, wat niet voldeed voor een IVA-uitkering. Appellant maakte bezwaar en kreeg gedeeltelijk gelijk, waarna het UWV een WGA-vervolguitkering toekende.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij duurzaam volledig arbeidsongeschikt is vanwege clusterhoofdpijn, waarvoor hij onder behandeling was bij een neuroloog. Hij stelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was omdat deze klachten onvoldoende waren meegenomen. De Raad concludeerde echter dat de medische stukken en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding geven om de eerdere conclusies te wijzigen.
De Raad oordeelde dat de beperkingen die uit de clusterhoofdpijn voortvloeien niet zodanig zijn dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. De geselecteerde functies passen binnen de vastgestelde beperkingen. De mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% is terecht vastgesteld, waardoor appellant niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.