ECLI:NL:CRVB:2022:1322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, laatst werkzaam als inpakmedewerker, ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na een herbeoordeling door het UWV werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%, waarna de WIA-uitkering per 12 maart 2020 werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit en voerde aan dat zijn beperkingen, waaronder psychische klachten, rugklachten en artrose aan de handen, waren onderschat. Ook stelde hij dat zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal hem belemmerde om de geselecteerde functies te vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling juist was en de geselecteerde functies passend. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, stelde vast dat de medische en arbeidskundige rapporten zorgvuldig waren en dat de taalbeheersing geen belemmering vormde voor het uitvoeren van eenvoudige productiematige functies.
Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige en geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellant terecht is beëindigd per 12 maart 2020.