ECLI:NL:CRVB:2022:1326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en beschikbaarheid voor arbeid bij WAO-uitkering
Appellante ontvangt sinds 2004 een WAO-uitkering op basis van 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2018 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vast op 45 tot 55%, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een selectie van passende functies. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar beperkingen zijn onderschat, onder meer door fibromyalgie en handartrose, en dat zij verminderd beschikbaar was door begeleiding vanuit de Wmo.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had vastgesteld. De diagnose fibromyalgie werd niet als bepalend gezien voor arbeidsbeperkingen. De Raad onderschrijft deze beoordeling en wijst het verzoek tot benoeming van een deskundige af. Ook wordt geoordeeld dat de Wmo-begeleiding geen erkende medische behandeling is die leidt tot verminderde beschikbaarheid voor arbeid.
De Raad concludeert dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid is terecht vastgesteld op 45 tot 55% en het hoger beroep wordt verworpen.