ECLI:NL:CRVB:2022:1331

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2022
Publicatiedatum
22 juni 2022
Zaaknummer
20/2367 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot toekenning WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft in het verleden in Nederland gewerkt en zich in 1993 ziekgemeld bij het GUO, een rechtsvoorganger van het UWV. Na vertrek naar Marokko zonder toestemming en het niet verschijnen bij een verzekeringsgeneeskundige, werd zijn arbeidsongeschiktheid niet erkend. Diverse verzoeken tot herziening en toekenning van een WAO-uitkering werden door het UWV afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen het laatste besluit van het UWV ongegrond verklaard, omdat het verzoek moet worden gezien als een herzieningsverzoek waarvoor nieuwe feiten noodzakelijk zijn. Appellant stelde in hoger beroep dat hij nog steeds volledig arbeidsongeschikt is en verzekerd was via zijn werkgever.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat appellant geen nieuwe feiten heeft aangevoerd en het besluit niet evident onredelijk is. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot afwijzing van het verzoek tot toekenning van een WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

20 2367 WAO

Datum uitspraak: 15 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2020, 19/5539 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2022. Appellant is niet verschenen. Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft in het verleden in Nederland gewerkt. Op 1 november 1993 heeft hij zich ziekgemeld bij het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan (GUO), een rechtsvoorganger van het Uwv. Op 2 maart 1994 is appellant zonder toestemming van het GUO vertrokken naar Marokko. Bij brief van 3 oktober 1995 is aan appellant meegedeeld dat hij zich ter beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid moet melden bij de verzekeringsgeneeskundige van het GUO en dat zolang hij dit niet heeft gedaan, zijn ziektegeval niet verder in behandeling kan worden genomen. Op 5 maart 1998 is aan de Caisse Nationale de Securite Sociale (CNSS) te Marokko meegedeeld dat de door appellant geclaimde arbeidsongeschiktheid met ingang van 2 maart 1994 geheel buiten aanmerking wordt gelaten, omdat hij niet heeft gereageerd op de oproepen om te verschijnen bij een verzekeringsgeneeskundige en uit de voorhanden zijnde gegevens niet blijkt dat dit hem niet aan te rekenen zou zijn. Een kopie van deze brief is op 28 november 2001 aan appellant verstuurd.
1.2.
Met een brief van 5 maart 2009 heeft appellant aan het Uwv verzocht om de eerdere besluitvorming te herzien en een WAO-uitkering aan hem toe te kennen. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven om de behandeling van zijn eerdere aanvraag te heropenen. Daarna heeft appellant nog meerdere keren verzocht om zijn recht op WAO-uitkering te beoordelen. Het Uwv heeft deze verzoeken, onder andere in een besluit van 10 september 2013, afgewezen. Procedures in beroep en hoger beroep hebben niet tot een andere uitkomst geleid.
1.3.
Op 1 november 2018 heeft appellant aan het Uwv laten weten dat hij het niet eens is met het besluit van 10 september 2013 en verzocht om een WAO-uitkering aan hem toe te kennen. Bij besluit van 27 november 2018 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. Bij besluit van 22 mei 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij is opgemerkt dat de brief van appellant is aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 24 maart 2009.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de aanvraag van appellant moet worden gezien als een verzoek om herziening van de eerdere besluiten van het Uwv en dat bij een dergelijk verzoek nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden vermeld. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die hadden moeten leiden tot herziening van het besluit van 24 maart 2009, dat betrekking had op de ziekmelding van appellant per 1 november 1993. Evenmin is gebleken dat het Uwv destijds een evident onjuist besluit heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het verzoek van appellant daarom op goede gronden afgewezen.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in Nederland heeft gewerkt en verzekerd was door zijn werkgever. Hij is nog steeds ziek en volledig arbeidsongeschikt.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat hierbij geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn vermeld. Uit wat appellant heeft aangevoerd, blijkt ook niet dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.2.
Uit wat in 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2022.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) A.M.M. Chevalier