ECLI:NL:CRVB:2022:1331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot toekenning WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft in het verleden in Nederland gewerkt en zich in 1993 ziekgemeld bij het GUO, een rechtsvoorganger van het UWV. Na vertrek naar Marokko zonder toestemming en het niet verschijnen bij een verzekeringsgeneeskundige, werd zijn arbeidsongeschiktheid niet erkend. Diverse verzoeken tot herziening en toekenning van een WAO-uitkering werden door het UWV afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen het laatste besluit van het UWV ongegrond verklaard, omdat het verzoek moet worden gezien als een herzieningsverzoek waarvoor nieuwe feiten noodzakelijk zijn. Appellant stelde in hoger beroep dat hij nog steeds volledig arbeidsongeschikt is en verzekerd was via zijn werkgever.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat appellant geen nieuwe feiten heeft aangevoerd en het besluit niet evident onredelijk is. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot afwijzing van het verzoek tot toekenning van een WAO-uitkering wordt bevestigd.