Uitspraak
19.4935 WIA, 21/2446 WIA
17 oktober 2019, 18/3407 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was laatstelijk werkzaam als apothekersassistente en meldde zich ziek vanwege een depressieve episode. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van circa 55%. Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgever stelde een verzekeringsarts vast dat appellante belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 april 2018. Op basis hiervan beëindigde het UWV de WGA-vervolguitkering per 21 juni 2018 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was.
Appellante voerde aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat zij ernstiger beperkt was dan vastgesteld. Het UWV liet een nieuw onderzoek uitvoeren, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeerden dat de beperkingen en arbeidsmogelijkheden juist waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd was.
De Raad vernietigde het eerdere besluit van 28 juni 2018, verklaarde het beroep tegen dat besluit gegrond, maar verwierp het beroep tegen het nieuwe besluit van 1 juni 2021. Het UWV heeft de WGA-vervolguitkering terecht beëindigd. Omdat het besluit pas in hoger beroep adequaat was onderbouwd, werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht de WGA-vervolguitkering van appellante beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.