ECLI:NL:CRVB:2022:1358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verrekening van bezwaarkostenvergoeding met openstaande vordering toegestaan onder Participatiewet
In deze zaak stond de vraag centraal of een bezwaarkostenvergoeding mag worden verrekend met openstaande vorderingen die het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op appellant heeft. Het college had een proceskostenvergoeding van €525 toegekend aan appellant en deze verrekend met openstaande schulden. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze verrekening ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verrekening onrechtmatig was, omdat bijzondere bijstand naar zijn mening niet op dezelfde wijze verrekend wordt en de bezwaarkostenvergoeding geen vordering van een belanghebbende zou zijn zoals bedoeld in artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit betoog en bevestigde dat de verrekening op grond van genoemde wetsbepaling mogelijk is.
De uitspraak benadrukt dat de bezwaarkostenvergoeding, toegekend in een bezwaarprocedure en gebaseerd op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wel degelijk als een vordering van een belanghebbende kan worden beschouwd voor verrekening met openstaande vorderingen. De stelling van appellant dat bijzondere bijstand niet wordt verrekend leidt niet tot een ander oordeel.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verrekening van de bezwaarkostenvergoeding met openstaande vorderingen is toegestaan.