ECLI:NL:CRVB:2022:1358

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
20/4022 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60a PWArt. 7:15 AwbArt. 58 PWArt. 59 PW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening van bezwaarkostenvergoeding met openstaande vordering toegestaan onder Participatiewet

In deze zaak stond de vraag centraal of een bezwaarkostenvergoeding mag worden verrekend met openstaande vorderingen die het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op appellant heeft. Het college had een proceskostenvergoeding van €525 toegekend aan appellant en deze verrekend met openstaande schulden. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze verrekening ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verrekening onrechtmatig was, omdat bijzondere bijstand naar zijn mening niet op dezelfde wijze verrekend wordt en de bezwaarkostenvergoeding geen vordering van een belanghebbende zou zijn zoals bedoeld in artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit betoog en bevestigde dat de verrekening op grond van genoemde wetsbepaling mogelijk is.

De uitspraak benadrukt dat de bezwaarkostenvergoeding, toegekend in een bezwaarprocedure en gebaseerd op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wel degelijk als een vordering van een belanghebbende kan worden beschouwd voor verrekening met openstaande vorderingen. De stelling van appellant dat bijzondere bijstand niet wordt verrekend leidt niet tot een ander oordeel.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verrekening van de bezwaarkostenvergoeding met openstaande vorderingen is toegestaan.

Uitspraak

20.4022 PW-PV

Datum uitspraak: 13 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2020, 20/2758 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Zitting heeft: F. Hoogendijk
Griffier: A.F. Hulskes
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 13 juni 2022. Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 9 april 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 mei 2020 (bestreden besluit), heeft het college een aan appellant toegekende proceskostenvergoeding tot een bedrag van € 525,- verrekend met openstaande vorderingen die het college op appellant had. Het college heeft aan de verrekening artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (PW) ten grondslag gelegd en daarbij verwezen naar terugvorderingsbesluiten van 24 februari 2016 en 16 juni 2016.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de proceskostenvergoeding is toegekend in een bezwaarprocedure, is gebaseerd op artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en € 525,- bedraagt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat artikel 7:15, tweede lid, van de Awb volgens vaste rechtspraak er niet aan in de weg staat dat het college met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de PW de aan een betrokkene toegekende proceskostenvergoeding verrekent met vorderingen op die betrokkene als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de PW.
3. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de verrekening onrechtmatig is. Hij betoogt dat de toekenning van bijzondere bijstand een zelfde type vordering is als een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en dat het college toegekende bijzondere bijstand nooit verrekent met openstaande schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.1.
Op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering die het college op die belanghebbende heeft op grond van een besluit tot terugvordering.
3.2.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1396) ook het verrekenen van een bezwaarkostenvergoeding met een openstaande vordering mogelijk op grond van artikel 60a, vierde lid, van de PW. Het betoog van appellant dat erop neerkomt dat de bezwaarkostenvergoeding geen vordering van een belanghebbende is als bedoeld in dat artikellid treft daarom geen doel. Dat in verband met bijzondere bijstand geen verrekening plaatsvindt, zoals appellant stelt, leidt niet tot een ander oordeel.
4. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.F. Hulskes (getekend) F. Hoogendijk