ECLI:NL:CRVB:2022:1370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voortzetting Wajong-uitkering bij verblijf in Turkije wegens ontbreken zwaarwegende redenen
Appellant, met een Wajong-uitkering wegens ernstige psychische problematiek en arbeidsongeschiktheid, verzocht het UWV om zijn uitkering te mogen voortzetten tijdens verblijf in Turkije voor behandeling en zorg.
Het UWV wees dit af omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van de hardheidsclausule, met name het ontbreken van een medische behandeling die niet in Nederland kan worden gegeven en het ontbreken van objectieve en dwingende redenen voor verblijf in het buitenland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat het verblijf in Turkije, ondanks het positieve effect op verslavingsproblematiek, onvoldoende zwaarwegende redenen oplevert om het exportverbod te doorbreken.
Ook de afhankelijkheid van zorg van zijn echtgenote die met hem mee is gegaan, is geen objectieve en dwingende omstandigheid. De Raad acht de beleidsregels van het UWV omtrent de hardheidsclausule niet onredelijk of onjuist toegepast.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de Wajong-uitkering tijdens verblijf in Turkije wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende redenen.