ECLI:NL:CRVB:2022:1391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugwerkende kilometervergoeding ambtenaar wegens vervaltermijn
Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, ontving tot september 2013 een vaste hoge kilometervergoeding wegens medische redenen. Na hervatting van werkzaamheden in januari 2014 constateerde hij in 2016 dat de vergoeding niet was hervat en probeerde hij deze met terugwerkende kracht aan te vragen, maar het systeem stond slechts een terugwerkende termijn van drie maanden toe.
Ondanks toezeggingen van leidinggevenden dat de vergoeding vanaf 1 januari 2014 zou worden toegekend, werd dit door een personeelsadviseur tegengehouden vanwege onduidelijkheid over regelgeving. De staatssecretaris weigerde vervolgens de vergoeding over de periode 2014-2017 toe te kennen wegens de vervaltermijn van drie maanden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overweegt dat appellant, gelet op zijn functie en kennis, had moeten beseffen dat de toezeggingen in strijd waren met de toepasselijke regelgeving. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom. De vergoeding is slechts toegekend vanaf de datum van de daadwerkelijke aanvraag in september 2017. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep op terugwerkende toekenning van de hoge kilometervergoeding wordt afgewezen vanwege de vervaltermijn en het falen van het vertrouwensbeginsel.