ECLI:NL:CRVB:2022:1394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen
Appellant, een voormalig productiemedewerker, vroeg meerdere malen een WIA-uitkering aan wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid, met name na een knieoperatie en het plaatsen van een kunstknie. Het UWV stelde dat de toegenomen beperkingen voortkwamen uit een andere ziekteoorzaak dan waarvoor eerder de wachttijd was doorlopen, en wees de aanvragen af.
De rechtbank oordeelde dat de rugklachten van appellant terecht buiten beschouwing waren gelaten omdat deze niet samenhingen met de knieklachten die de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid veroorzaakten. Ook concludeerde zij dat appellant de geselecteerde functies ondanks zijn beperkingen kan vervullen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn knie- en rugklachten en dat de geselecteerde functies te belastend zijn vanwege zijn blindheid aan het linkeroog. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft echter de eerdere overwegingen en het oordeel van de rechtbank, wijst op het ontbreken van nieuwe medische informatie en bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid niet voldoende is toegenomen om recht op een WIA-uitkering te geven.
De Raad concludeert dat appellant in staat is de geselecteerde functies te vervullen en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.