Appellante was sinds 2015 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering die per 4 januari 2019 werd omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling in 2019 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 4 september 2019. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat, maar kon dit niet met medische informatie onderbouwen.
De rechtbank wees het beroep van appellante af en verwierp haar verzoek om aanvullende informatie van een orthopedisch chirurg toe te voegen aan het dossier wegens strijd met de goede procesorde. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en overhandigde meerdere medische rapporten, maar de Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van april 2019 adequaat waren vastgesteld.
De Raad volgde het UWV in de conclusie dat appellante met ingang van 4 september 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat de uitkering terecht was beëindigd. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende arbeidskundig was gemotiveerd, werd dit gebrek gepasseerd omdat het geen nadelige gevolgen had voor appellante. Het hoger beroep werd afgewezen en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.