ECLI:NL:CRVB:2022:1398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor geselecteerde functies bevestigd
Appellante, voormalig pedagogisch medewerkster, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving aanvankelijk een ZW-uitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen met andere functies en beëindigde de ZW-uitkering per 29 januari 2019.
Na een nieuwe ziekmelding in mei 2019 en medisch onderzoek concludeerde het UWV wederom dat appellante geschikt was voor de geselecteerde functies en weigerde voortzetting van de ZW-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling van de verzekeringsartsen voldoende achtte.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hielden met haar verstoorde energiehuishouding en medicatiegebruik, wat zou leiden tot een urenbeperking. De Raad oordeelde echter dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de lichte fysieke en mentale belasting van de geselecteerde functies passend is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor de geselecteerde functies.