ECLI:NL:CRVB:2022:1401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Ziektewetuitkering
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering per 28 mei 2016 te beëindigen, wat door de rechtbank ongegrond werd verklaard. In hoger beroep voerde zij aan dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld, onderbouwd met medische rapporten. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die aanvullende beperkingen adviseerde, waarna het UWV een nieuw besluit nam waarin de Ziektewetuitkering ongewijzigd werd voortgezet.
Omdat het UWV hiermee feitelijk geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet was gekomen, oordeelde de Raad dat het hoger beroep niet ontvankelijk was wegens het ontbreken van procesbelang. Appellante had immers bereikt wat zij nastreefde. Andere aanspraken, zoals een WIA-uitkering of een latere Ziektewetuitkering, vielen buiten het geschil.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten, inclusief kosten voor rechtsbijstand en een deel van de medische kosten, en tot betaling van wettelijke rente en griffierecht. Het hoger beroep werd daarmee formeel afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.