ECLI:NL:CRVB:2022:1414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WIA-uitkering ondanks bezwaar appellant
Het UWV had besloten de WIA-uitkering van appellant met ingang van 20 februari 2020 te beëindigen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar werd dit besluit herzien en de uitkering ongewijzigd voortgezet omdat appellant 47,01% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, die door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep werden verworpen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek in bezwaar niet onzorgvuldig was, ondanks het ontbreken van een fysiek onderzoek, omdat er een uitgebreid lichamelijk en psychisch onderzoek was uitgevoerd bij de primaire beoordeling en aanvullende telefonische contacten en medische dossiers beschikbaar waren.
Hoewel het UWV pas in hoger beroep een afdoende motivering gaf voor het ontbreken van het fysieke onderzoek, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellant daardoor niet benadeeld werd. Het hoger beroep werd afgewezen en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om de WIA-uitkering ongewijzigd voort te zetten wordt bevestigd.