Uitspraak
21.3501 WIA
mr. J.H. van Riet. Namens ex-werkgever is verschenen [Naam] .
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en viel uit wegens schouderklachten. Na beëindiging van het dienstverband en een periode van ziekte, werd een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Ex-werkgever maakte bezwaar tegen deze toekenning, waarna het UWV het bezwaar gegrond verklaarde en de uitkering beëindigde omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar bracht geen nieuwe medische informatie in. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend zijn en dat de beperkingen juist zijn beoordeeld.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de beëindiging van de WGA-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.