ECLI:NL:CRVB:2022:1423

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
21/3707 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak

Appellante was sinds 2010 arbeidsongeschikt vanwege buikklachten en kreeg een WGA-uitkering toegekend die later werd beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Na een melding van toegenomen klachten per 21 juni 2019 weigerde het Uwv een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen omdat geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere beoordeling.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, onder meer omdat medisch onderzoek geen aanwijzingen gaf voor een verslechtering van haar lichamelijke of psychische klachten. In hoger beroep voerde appellante aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was en dat haar pijnklachten en psychische klachten waren toegenomen, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de medische informatie geen aanwijzingen gaf voor toegenomen beperkingen en dat de matige prognose van de chirurg betrekking had op het niet verminderen van pijn, maar niet op een toename van beperkingen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering per 21 juni 2019 wegens ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.

Uitspraak

21.3707 WIA

Datum uitspraak: 23 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
2 september 2021, 20/4311 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Ü. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Arslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als assistent rayonmanager voor 37,56 uur per week. Op 14 oktober 2010 heeft appellante zich ziekgemeld met buikklachten. Bij besluit van 14 september 2012 heeft het Uwv appellante met ingang van 11 oktober 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Met ingang van 11 augustus 2015 is deze uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Bij besluit van 8 mei 2017 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante met ingang van 8 juli 2017 beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 februari 2018 ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld tegen dit besluit op bezwaar. De rechtbank heeft aanleiding gezien verzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven als deskundige te benoemen. In haar rapport van 5 maart 2019 heeft de deskundige geconcludeerd dat appellante op 8 juli 2017 leed aan sinds jaren bestaande buikklachten, waarbij met uitzondering van forse adhesies bij de dunne darm zonder obstructie of verminderde doorbloeding, geen afwijkingen zijn geconstateerd. De deskundige heeft de klachten daarom geduid als het prikkelbare darm syndroom. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellante daarnaast rond 8 juli 2017 een depressieve stoornis had, maar geen ernstige depressie. Appellante heeft moeite om te gaan met haar lichamelijke (pijn)klachten en ervaart onder andere stress wegens haar procedure tegen het Uwv. Het deskundigenrapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gegeven een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst op te stellen van 25 maart 2019, geldig per 8 juli 2017. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 9 februari 2018 bij uitspraak van 8 juli 2019 ongegrond verklaard.
1.2.
Appellante heeft zich even daarvoor, op 27 juni 2019, bij het Uwv gemeld met een toename van de bestaande klachten met ingang van 21 juni 2019. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 2 september 2019 geweigerd om appellante per 21 juni 2019 (datum in geding) een WIA-uitkering toe te kennen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de beperkingen van appellante voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 8 juli 2017. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 mei 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 7 mei 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de in beroep overgelegde stukken geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beoordeling van de verzekeringsartsen onzorgvuldig is verricht of onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk toegelicht dat uit de beschikbare informatie niet blijkt van een gewijzigde gezondheidstoestand rondom de datum in geding. Er is niet gebleken van objectiveerbare toegenomen buikklachten; de verklevingen zijn al vele jaren aanwezig en de informatie van de chirurg van 20 februari 2020 wijst niet op nieuwe pathologie en bevat geen nieuwe medische informatie over de datum in geding. Het feit dat de chirurg heeft vermeld dat sprake is van invaliderende klachten en dat een CT-scan en een behandelplan zullen volgen leidt niet tot een ander oordeel alleen al omdat over de nog te volgen behandelingen geen nadere relevante informatie is overgelegd. Appellante heeft haar ter zitting ingenomen standpunt dat ook de psychische klachten zijn toegenomen onvoldoende onderbouwd. Ook uit de overgelegde stukken blijkt niet van toegenomen psychische klachten.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts geen intern onderzoek heeft verricht en de verzekeringsarts ondanks de door haar ervaren pijn geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelende artsen in het ziekenhuis. De verzekeringsarts heeft bovendien geen informatie opgevraagd bij de huisarts. Appellante meent daarnaast dat de verzekeringsarts de brief van de chirurg verkeerd heeft geïnterpreteerd, omdat de behandelend chirurg op
20 februari 2020 te kennen heeft gegeven dat er sprake is van een matige prognose. De pijnklachten die appellante ervaart zijn in de loop van de tijd steeds erger geworden. Appellante staat inmiddels ook onder behandeling van de pijnpoli in het ziekenhuis. Behandeling van appellante bij PsyQ is beëindigd, niet omdat haar psychische klachten waren verminderd, maar omdat de klachten niet door de GGZ verholpen konden worden. De huisarts heeft appellante vervolgens verwezen naar de POH-GGZ. Appellante gebruikt medicatie voor haar psychische klachten.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht is geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een
WGA-uitkering.
4.2.
In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellante met ingang van
21 juni 2019 (datum in geding) geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak (binnen vijf jaar na 8 juli 2017).
4.3.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusie dat de beperkingen van appellante uit dezelfde ziekteoorzaak met ingang van de datum in geding niet zijn toegenomen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat in de bezwaarfase, informatie van de chirurg van 20 februari 2020 en van de huisarts van 23 maart 2020 bij de beoordeling is betrokken en dat het rapport van 5 maart 2019 van verzekeringsarts Wolff-van der Ven niet ver voor de datum in geding is opgesteld. Uit geen van de stukken is op te maken dat de verklevingen in de buik op de datum in geding ten opzichte van 8 juli 2017 zijn toegenomen. Appellante heeft op de hoorzitting ook te kennen gegeven dat nieuw onderzoek geen nieuwe verklevingen heeft laten zien. De matige prognose waarover de chirurg spreekt, is (alleen) gerelateerd aan het niet verminderen van de pijnklachten. De verzekeringsartsen hebben aangenomen dat appellante op de datum in geding forse pijnklachten had. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat haar beperkingen op de datum in geding waren toegenomen. Overigens blijkt uit de brief van 20 februari 2020 dat de chirurg appellante geen beperkingen in het dagelijks leven heeft opgelegd. Dat appellante op de datum in geding nog psychische klachten had, wordt niet ontkend. Er is in de beschikbare medische informatie echter geen aanknopingspunt voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat ook de psychische klachten van appellante op de datum in geding ten opzichte van 8 juli 2017 niet relevant waren gewijzigd.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat geen sprake is van een toename van de medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Als van een zodanige toename niet kan worden gesproken, wordt aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2022.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) C.G. van Straalen